Course Content
-
PHOTOSHOP 1
-
PS1-1: Raster- en vectorafbeeldingen
-
PS1-2: Werken met bestanden
-
PS1-3: Kleuren, canvasgrootte
- PS1-4: Lagen
-
PS1-5: Werken met lagen
-
PS1-6: Navigeren en transformeren
-
PS1-7: Resolutie en afbeeldingsgrootte
-
PS1-8: Kleurmodi
-
PS1-9: Selecteren
-
PS1-10: Veelhoeklasso en magnetische lasso
-
PS1-11: Vullen, omlijnen, verlopen en patronen
-
PS1-12: Tekst, hulplijnen en linialen
-
PS1-13: Laageffecten, printen
-
PS1-14: Tekengereedschappen
-
PS1-15: Snelle selectie
-
PS1-16: Bewerkingshistorie en historiepenseel
-
PS1-17: Retoucheren
-
PS1-18: Lichter, donkerder, scherper en onscherper
-
PS1-19: Herhalingsoefening
-
PS1-20: Werkstuk
-
PS1-4: Lagen
Lagen
Foto’s zijn appartementsgebouwen
Een foto met lagen kan je vergelijken met een appartementsgebouw dat uit verschillende verdiepingen bestaat. Elke verdieping is een aparte laag. Beeld je even in dat jij een vogel bent die boven het appartementsgebouw vliegt. Als je naar beneden kijkt, dan zie je enkel de bovenste verdieping.
Zo werkt het ook in Photoshop: als je een foto opent die uit verschillende lagen bestaat, dan zie jij enkel de bovenste laag. Gelukkig is er ook een manier om alle lagen te kunnen zien en dat is via het deelvenster Lagen: hier zie je elke laag apart. Net alsof je een voetganger bent die naar het appartementsgebouw kijkt vanaf de straat: je ziet nu wél alle verdiepingen.
Wat hierboven staat is natuurlijk een eenvoudige vergelijking. Lagen zijn complexer dan de verdiepingen van een appartementsgebouw: je kan lagen onzichtbaar maken, stukken doen verdwijnen, lagen hoger of lager in de stapelvolgorde gaan verslepen enz. Probeer dat maar eens met de verdiepingen van een appartementsgebouw!
Het deelvenster Lagen
Elke laag kan je activeren via het deelvenster Lagen door op de laag te klikken. Wanneer een laag actief is, dan wordt ze in het deelvenster andersgekleurd weergegeven. In de afbeelding hieronder kan je zien dat de laag Laag 2 actief is. Als je nu een bewerking uitvoert op je foto dan wordt die bewerking bijna altijd alleen op de actieve laag uitgevoerd. Als ik in het voorbeeld hieronder een lijn zou tekenen met het penseelgereedschap op mijn afbeelding, dan zou die lijn op de laag Laag 2 geplaatst worden.


Bekijk even onderstaand introductiefilmpje over lagen. Het bestand met de lagen dat in het filmpje gebruikt wordt, kan je hier downloaden.
Eigenschappen van lagen
Elke laag heeft een naam die je kan wijzigen in het deelvenster Lagen door te dubbelklikken op de huidige naam, of via het menu Laag > Laag hernoemen. De naam van de actieve laag in het voorbeeld hierboven is Laag 2.
Elke laag in het deelvenster Lagen heeft een icoontje met een voorbeeld van wat er op die laag te zien is.
Voor elke laag zie je in het deelvenster Lagen een oogje. Dat wil zeggen dat die laag zichtbaar is. Klik op het oogje om het te verbergen en de laag onzichtbaar te maken. Nog eens klikken om opnieuw zichtbaar te maken.
Je kan de stapelvolgorde van de lagen wijzigen via het deelvenster Lagen: neem een laag vast en versleep die naar boven of beneden.
Er is 1 speciale laag: de achtergrondlaag. De naam staat cursief weergegeven en er staat een hangslotje bij. Het hangslotje duidt aan dat de laag vergrendeld is: je kan er niet zoveel mee doen. Je kan bijvoorbeeld de laag niet hoger verplaatsen in het deelvenster Lagen. In het voorbeeld hierboven zie je heel duidelijk de achtergrondlaag.
Als je een nieuwe afbeelding maakt met een witte of gekleurde achtergrond, dan fungeert de onderste laag altijd als achtergrondlaag. Ook als je een afbeeldingsformaat opent dat geen lagen ondersteunt, zoals jpg, dan wordt de afbeelding automatisch in een achtergrondlaag geplaatst. Dit kan je zien als een soort van beveiliging.
Je kan wel van de achtergrondlaag een gewone laag maken. Dat doe je via het menu Laag > Nieuw > Laag uit achtergrond, of door te dubbelklikken op de achtergrondlaag. (Je kan zelfs Alt + dubbelklikken als je het dialoogvenster niet meer wil zien.)
Je kan een nieuwe laag maken via het menu Laag > Nieuw > Laag. Een nieuwe laag is standaard helemaal leeg: de pixels zijn transparant. Photoshop duidt die doorschijnendheid aan met een dambordmotief.

Je kan lagen groeperen in een laaggroep die je aanmaakt via Laag > Nieuw > Groep. Je kan de lagen nu verslepen naar de laaggroep om ze in de groep te plaatsen. Dat kan handig zijn om alles een stukje overzichtelijker te maken in je deelvenster Lagen.
Je kan lagen ook verenigen tot 1 laag. Een laag verenigen met de onderliggende laag doe je via Laag > Verenigen; omlaag laag. Alle zichtbare lagen (die met een oogje voor) verenigen doe je via Laag > Verenigen, zichtbaar. Alle lagen verenigen doe je via Laag > Eén laag maken.
Toegegeven: het verenigen van lagen probeer je best zoveel mogelijk te vermijden. Door lagen te verenigen verlies je uiteraard de voordelen van lagen.
In het filmpje hieronder leer je meer over lagen. De afbeeldingen die gebruikt worden, kan je hier downloaden.
Wat is nu het nut van lagen?
De hamvraag! Als je elk nieuw element dat je aan een foto toevoegt op een nieuwe laag plaatst, dan heb je veel bijkomende flexibiliteit die je niet zou hebben wanneer je alles op 1 laag zou plaatsen:
- Je kan het element makkelijk verplaatsen los van de rest van de afbeelding.
- Je kan het element makkelijk verwijderen zonder de rest van je beeld te verwijderen.
- Je kan het element tijdelijk onzichtbaar maken.
- Je kan een effect enkel en alleen op het element gaan toepassen en niet op de rest van je afbeelding
- …
Oefeningen
De oefeningen met een sterretje geven je toegang tot de volgende les:
- Maak een nieuw document met de volgende eigenschappen:
- Breedte: 400 pixels
- Hoogte: 250 pixels
- Kleurenmodus: RGB
- Resolutie: 72 pixels per inch
- Zorg er voor dat de achtergrondinhoud een grijze kleur heeft.
- Maak 6 nieuwe lagen aan en vul daarna elke laag met een andere kleur (met het emmertje). Let op: het emmertje vult altijd de actieve laag met een kleur. Let er dus goed op dat de juiste laag actief is!
- Geef de lagen een beschrijvende naam (bijv. Roze, Groen…).
- Maak van de achtergrondlaag een gewone laag en geef ze een beschrijvende naam (Grijs).
- Herschik de stapelvolgorde van de lagen zodat elke kleur eens bovenaan komt te liggen.
- Probeer ook eens enkele lagen zichtbaar en onzichtbaar te maken.
- Groepeer de lagen in twee groepen (mapjes) die je een beschrijvende naam geeft.
- Verenig de bovenste laag met de laag eronder. Waarschijnlijk klopt de naam van de laag nu niet meer. Zorg er voor dat de verenigde laag een beschrijvende naam heeft.
- Maak daarna van alle lagen 1 laag.
- Sla je bestand op als psd-bestand (lagen-eengemaakt.psd) op je bureaublad.
- Gebruik Ctrl+Z op een PC of Cmd+Z op een Mac om je laatste bewerkingen ongedaan te maken zodat je terug je afbeelding bekomt met alle lagen (incl. laaggroepen).
- Sla je bestand op als psd-bestand (lagen-jouwnaam.psd).
- Sla je bestand daarna ook eens op als jpg-bestand (lagen-jouwnaam.jpg).
Sluit nu alle bestanden in Photoshop en open zowel lagen-jouwnaam.psd als lagen-jouwnaam.jpg. Wat is het grote verschil tussen beide bestanden? Het antwoord op de laatste vraag deel je met je leerkracht.
Dit is een verplichte oefening. Dien je resultaat in via de Classroom Pas daarna krijg je toegang tot de volgende les.
